Schueller de Waal door Lonneke van der Palen

hoe nederlandse ontwerpers zichzelf beschermen tegen de druk van de industrie

Binnen de mode lijkt het soms alsof je kapot werken de enige optie is. Voor jou zijn er immers tien anderen die wél bereid zijn de uren te maken. Hoe gaan ontwerpers hiermee om?

door Anne Dirks
|
07 oktober 2019, 10:10am

Schueller de Waal door Lonneke van der Palen

De laatste paar jaar zijn de vaste ijkpunten in het modeseizoen toegenomen. Naast een winter- en zomercollectie wordt er nu ook een lente-, herfst-, pre-fall-, resort- en cruisecollectie verwacht. Ontwerpers van grote modehuizen produceren honderden kledingstukken per jaar om te voldoen aan de wensen van het publiek. Zo blijven ze weliswaar relevant, maar na een jaar verlaten ze volledig opgebrand hun plek. Retailers blijven hun collecties aanvullen en vervangen alsof de rest van de wereld het niet over duurzaamheid heeft. Want uiteindelijk willen we meer keuze, meer vernieuwing, meer kleding. Welke impact heeft dat op de geestelijke gezondheid van ontwerpers? En is er een alternatief voor dit rigide systeem?

“Ik noem het matchboxen,” vertelt Philipp Schueller, de helft van ontwerpersduo Schueller de Waal, “mensen zijn bij grote modehuizen net lucifers. Ze steken een lucifer aan en die brandt op. Dan steken ze de volgende aan. Zo snel gaat het. De verwachting binnen dat niveau van mode is dat je heel snel op de top van je creatieve kunnen bent en dan uitgemolken wordt. Het is echt een wegwerpcultuur geworden. Mensen doen niets anders dan werken, dat wordt ook van je verwacht.”

“Wij doen dat niet meer.” vult Rens de Waal aan. “We hebben onszelf wel echt aangeleerd om heel structureel kantoordagen aan te houden. Alleen als het écht nodig is, als we echt deadlines moeten halen, werken we door.” Het lijkt erop dat een nieuwe generatie modeontwerpers zich bewust is van de onrealistische eisen van de industrie en alternatieve bedrijfsmodellen test. Ze weigeren mee te gaan met de ‘seizoenen’, berispen de ‘see now, buy now’ marketingconcepten van commerciële merken en zoeken hun eigen weg, werkschema’s en verkoopplekken. “Werken zou niet zo zelfdestructief moeten zijn,” zegt Schueller. “We proberen onszelf daar steeds aan te herinneren. We proberen, voor onze eigen gemoedsrust, daar heel 9-tot-5-achtig mee om te gaan. Dat is gewoon de tijd waarin het moet gebeuren. Al wil dat niet zeggen dat het ons altijd lukt.”


Philipp Schueller en Rens de Waal werkten allebei voor grote modemerken voordat ze samen hun eigen label begonnen. Met Schueller de Waal kijken ze met een kritische knipoog naar de modewereld en zijn grillen. Dat zie je terug in de presentaties die zijn nu tijdens Parijs Fashion Week geven. Zo gaven ze in 2018 in Palais du Tokyo ‘fashion as hypnosis therapy’, een presentatie in een eigen wellnesscentrum, waar afgematte modeslachtoffers even konden bijkomen. En deze zomer lieten ze modellen bewapend met vuilniszakken en afvalprikkers de straten van Parijs schoonmaken, wat volgens het duo symbool stond voor het helingsproces waar de door stress en vervuiling geplaagde industrie broodnodig aan toe is.

Het idee om minder en anders te gaan showen ontstond na hun spring/summer-show in het World Fashion Center in 2018. De show was een persiflage van de grote spektakelshows die Chanel en andere modehuizen in Parijs lieten zien. “Na die show hebben we wel even gedacht: hoe nu verder?” vertelt Schueller. “De collectie die we hadden gemaakt zat zo veel inhoud in dat je die makkelijk langere tijd kan gebruiken. We wilden dit niet zo het archief inschuiven, maar eigenlijk gewoon nog een keer proberen te verkopen en langer laten leven,’ vertelt Schueller.

Na een digitale detox van een paar maanden gooide het duo het over een andere boeg: niet meer naar hun werk kijken als losstaande collecties, maar als een compleet verhaal. De Waal: “We zijn nu bezig met het volledig afscheid nemen van seizoenen en ons werk meer te zien als een collectie die steeds groeit. Als je niets nieuws meer maakt, maar je gebruikt steeds dit verzamelwerk, kan je dat dan transformeren tot iets nieuws?”

Volgens modeontwerper Anouk Beckers wel. “In het begin vond ik het heel moeilijk om te zeggen dat ik modeontwerper ben, omdat ik dus heel erg het idee had dat er direct allerlei vooroordelen aan vast zaten. Maar ik denk dat het belangrijk is om te laten zien dat je ook op een andere manier modeontwerper kan zijn, dat het niet alleen maar iemand is die seizoenscollecties maakt, want dat doe ik helemaal niet.”

Anouk Beckers studeerde af met A GARMENT TO UNRAVEL, een modulair systeem voor kleding. Losse mouwen, broekspijpen of een kraag kunnen worden samengevoegd tot één kledingstuk. Elk onderdeel heeft een eigen nummer dat niet is gekoppeld aan een seizoen, maar betrekking heeft op de volgorde van wanneer het is gemaakt. Door in de loop der tijd meer onderdelen toe te voegen, worden meer combinaties mogelijk.

“Ik ben op dit moment bezig met een nieuw project: JOIN Collective Clothes – een voortborduursel op mijn afstudeerproject over mode maken op collectieve wijze. Ik wil als ontwerper niet op mijn eigen eilandje zitten, maar juist andere professionele en niet-professionele makers betrekken bij het ontwerp- en maakproces en een andere hiërarchische structuur laten zien dan we gewend zijn van mode.”

Beckers bevraagt met JOIN Collective Clothes het huidige modesysteem en zet de modeontwerper zichzelf buiten de ratrace. “Andere waarden worden belangrijk. Het betekent helemaal niet dat je racet om als eerst bij de finish te zijn. Waarom kun je niet onderweg plezier hebben? Ik word zelf het gelukkigst van iets maken wat een verhaal vertelt, mensen kan raken of een meerwaarde heeft. Het draait voor mij veel meer om het sociale aspect van mode dan om het commerciële.”

Dat wil echter niet zeggen dat ze niet dezelfde druk voelt als anderen in het vak. “Ik moet echt leren om weekend te nemen. Maar dat doorwerken hoort heel erg bij de mindset. Je kan jezelf helemaal gek werken. Tegelijkertijd is er niemand die het voor je gaat doen als je het zelf niet doet. Dat zorgt voor frictie.”

Er is eerder gesproken over de druk en verantwoordelijkheid die op modeontwerpers ligt. In 2015 deden meerdere talentvolle designers een stapje terug vanwege te grote verantwoordelijkheid en druk: Raf Simons verliet Dior, Alexander Wang ging weg bij Balenciaga en Alber Elbaz zwaaide af bij Lavin. In de media werd de vraag gesteld of het wel gezond was wat er van deze ontwerpers werd geëist. We zijn nu vier jaar verder. Is er iets veranderd aan het moordende tempo in de mode-industrie?

“Nee,” zegt ontwerper Camiel Fortgens stellig. “Ik denk dat we de wens en illusie hebben dat het verandert. Maar progressieve ontwerpers gaan vaak juist voor commerciële merken werken, zoals Raf Simons toentertijd voor Calvin Klein. Met Vêtements was er een soort van hoop dat we de elitemode zouden loslaten en dat is uiteindelijk de grootste modebubbel geworden. Het gaat gewoon door.”

Camiel Fortgens ontwerpt kleren gebaseerd op herkenbare kledingstukken en vormen. Een stijve donkerblauwe spijkerbroek, een overhemd met te lange mouwen en onafgewerkte jasjes met loshangende stiksels. Voor Fortgens is zijn collectie een manier om commentaar te geven op zijn generatie en het perfecte zelfbeeld dat wordt neergezet. “Het laatste taboe is het imperfecte, het menselijke. Ik ben constant op zoek naar iets echts,” omschrijft hij het zelf.

“Ik heb in het begin ook heel hard geroepen dat ik tegen het modesysteem en de snelheid was en niet met die molen mee zou draaien”, steekt Fortgens van wal, “maar je moet meedraaien in de snelheid van de mode-industrie om gezien en gesnapt te worden en uiteindelijk écht iets te veranderen. Ik wil als een Trojaans paard Parijs binnenrijden en als ik dan een beetje geaccepteerd ben en het merk begrepen wordt de dingen anders aanpakken. Mijzelf afzetten, een tegenhanger van het systeem geven en de discussie starten. Is dit de enige manier of moet het anders in de toekomst? Past dit nog bij de tijd?”

Fortgens’ laatste show vond plaats in een klein Airbnb-appartement in Parijs. Kopers zaten op bed of stonden met een biertje in de hand tegen de muur geleund. Zijn vrienden liepen mee als modellen. Aan het einde van de show stapte Fortgens even de deuropening in. “Dat was het!”, riep hij, met zijn handen zwaaiend, terwijl hij weer uit beeld verdween.

“Ik wilde geen enorme Parijse show, legt de ontwerper uit. “Ik ben een gewone jongen, we zijn allemaal gewoon. Ik verkoop kleren.” Toch voelt ook hij de druk om mee te gaan in het huidige tempo van de mode-industrie. Alle energie gaat op aan het bedrijf. Fortgens: “Ik zorg niet goed voor mezelf. Ik kook niet, afwas stapelt zich op. Als ik thuiskom ben ik gewoon op, daar word je somber van. Ik heb gewoon geen energie om voor mezelf te zorgen en sociaal te zijn. Misschien ben ik daar extreem in.”

Fortgens omschrijft een cyclus van ontwerpen, maken en presenteren. Dan volgt er weer een periode van depressie. “Ik weet ook niet of ik dat volhoud. Maar elke keer blijf ik die inspiratie weer terugvinden. De grootste drijfveer is dingen beter of anders willen doen dan de vorige keer. Commentaar leveren op iets wat je niet aanstaat. Die sombere gedachten zijn de brandstof om verder te gaan, de reden om het anders te doen.”

Zodra je een beetje naam hebt gemaakt, gaan mensen aan je trekken. Salesagenten adviseren je meer collecties te maken. PR-bureaus sporen je aan om meer aandacht te besteden aan social media en samenwerkingen met influencers. Winkels willen meer van hetzelfde, want die ene blouse deed het zo goed. “We hebben veel verschillende collaborations geprobeerd met agents, en van elke kant kwamen weer andere kritiekpunten. Dat we niet goed zijn in zichtbaarheid creëren, meer influencer branding moeten doen en blablabla. Al die bullshit,” vertelt Schueller. “Dus we hadden toen zoiets van: we gaan precies het tegenovergestelde doen. We doen een digitale detox. We hebben een reversed Instagram feed gedaan, waar alle bestaande posts verdwenen.” Kleine, geanimeerde posts van foto’s die oplossen, uitgeprinte foto’s die worden verbrand, of door het toilet gespoeld. Schueller: “Ik heb er ook eentje opgegeten. Gewoon als tegenreactie.”

“Ik doe nu helemaal niets aan PR,” vertelt Fortgens. “Je moet oppassen dat je niet wordt meegesleurd. Iedereen gaat aan je trekken.” Dat lukt de ene keer beter dan de andere. “Er zijn periodes dat ik heel hard werk en even niet denk aan al die dingen. Dan is de collectie af en daarna word ik somber. Dat is de tijd van de reflectie: waar doe ik dit voor? Is dit de goede weg?”

Op dit moment ligt de collectie van Camiel Fortgens in veertig winkels wereldwijd. In Amsterdam stuurt hij samen met twee anderen zijn merk aan. “De cijfers op papier zijn goed, maar dat wil niet zeggen dat ik iets verdien. Zal ik het gewoon vertellen? Ik denk dat het goed is dat mensen zich realiseren hoe dit werkt. Afgelopen seizoen heb ik 300.000 euro omgezet, maar zelf verdien ik nog geen 1000 euro per maand. Alles wat ik overhoud, gaat weer terug in het bedrijf. Ik zou op dit moment mijn eigen kleding niet kunnen kopen.”

Schueller en de Waal herkennen dat. “Het is heel moeilijk om een salaris te verdienen met een modemerk. Zelfs ontwerpers bij grote modehuizen verdienen weinig, laat staan al die mensen die anoniem achter de schermen werken. We hebben nu naast ons modelabel ook SDW Studio opgericht, waar we experimenteren met artdirection, concepten bedenken of helpen met styling. We zijn ook aan het kijken of we ook onze eigen items kunnen verkopen via een webshop, maar dat is weer een vak apart.” Daarnaast geven zowel Schueller en de Waal als Fortgens les aan studenten van de modeacademie.

Anouk Beckers pakt het anders aan: “Ik heb een beurs om dit project op te zetten, maar daar leef ik niet van. Ik doe er commerciële klussen naast om geld te verdienen. Maar dat is wel iets waar ik over nadenk: hoe kan ik straks geld verdienen met dit project?”

Er zijn maar weinig mensen die voor dit vak kiezen om er rijk van te worden. Ontwerpers hebben vaak een sterke, intrinsieke motivatie om iets te maken, iets toe te voegen aan de mode. Dit is geen gewone baan en daarom is het moeilijk om het werk dat erbij komt kijken te blijven zien als werk.

Vorig jaar kwam de documentaire uit over Alexander McQueen. Interviews met vrienden, familie, zijn mentors en medewerkers worden afgewisseld met archiefbeeld. De fashionshows van McQueen waren legendarisch, de ontwerper was zijn tijd ver vooruit met spectaculaire, donkere presentaties vol technologische snufjes, politiek commentaar en special effects. Wat het meest bijbleef van de documentaire was niet het spektakel en showmanschap, maar de analyse van McQueen zelf, na afloop van een show: “People forget that fashion is about showing who you are.”

De grens tussen werk en privé vervaagt. “Ik denk dat je heel makkelijk in zo’n moordend tempo gaat werken omdat je zelf degene bent die het werk creëert. Daarom kan je er ook zo moeilijk afstand van nemen,” legt Beckers uit. “Dus hoe zorg ik ervoor dat ik niet gek word? Ik vind dat een moeilijke vraag. Door echt bewust momenten te plannen dat ik niet met werk bezig ben. Ik ben nog een beetje aan het zoeken naar wat dat dan is, waar ik dan van ontspan. Ik ben op die momenten vaak indirect toch met werk bezig. Niet omdat ik dat moet doen van iemand, maar omdat ik het zo interessant vind en er alles over wil weten. Maar het is ergens niet gezond, dat weet ik.”

“Het blijft een beetje geforceerd zoeken naar de dingen die je drijven,” vertelt Fortgens. “Hoe word je niet gek... ik weet het niet, het is moeilijk. Ik weet vaak niet of ik het volhoud. Dan verlang ik verlang naar een huisje in het bos. Antidepressiva helpt. Blowen ook. Dat is niet goed, maar het helpt wel. Er worden steeds meer dingen van je gevraagd. Soms heb ik energie nodig, dan drink ik heel veel cola. Soms heb ik heel veel stress, en rook ik een jointje om rustig te worden. Om het denken uit te zetten zodat ik weer creatief kan zijn.”

Schueller en de Waal hebben ook hun eigen methodes. “Sporten helpt,” vertelt De Waal. “Ik zwem nu. Ik weet het niet, ik ben mentaal niet de meest gezonde persoon vrees ik. Ik denk erover om zangles te nemen als een soort van uitlaatklep, iets kleins voor mijzelf.”

“Je moet een hobby hebben,” zegt Schueller. “Als nerdy tiener fokte ik tropische vissen. De afgelopen maand kijk ik elke nacht een uurtje naar youtubefilmpjes over self-sustainable fishtanks. Mensen die aquariums bouwen met zoete aardappelen als filtersysteem en onderwater jungleplanten. Daar word ik heel rustig van.” De Waal lacht: “Robbie, neem een hobby.”