Beeld door auteur

in utrecht zijn nu de uitzinnige creaties van jan taminiau te bewonderen

We spraken de Nederlandse couturier over de schoonheid van vergankelijkheid, jezelf telkens opnieuw moeten uitvinden en hoe je als ontwerper zo dicht mogelijk bij jezelf blijft.

door Rolien Zonneveld
|
04 mei 2018, 9:30am

Beeld door auteur

Een overzichtsexpositie terwijl je midden in je carrière zit heeft iets dubbels; aan de ene kant is het een kroon op jarenlang hard werken, aan de andere kant heeft zo’n jubileum ook wel wat weg van een afscheid. Alsof er van buitenaf besloten is dat je hoogtepunt bereikt is en er nu gereflecteerd moet worden. Couturier Jan Taminiau, wiens imposante oeuvre nu te zien is in het Centraal Museum in Utrecht beaamt dit: “Als je gevraagd wordt hoe het voelt om je werk op zo’n manier tentoongesteld te zien is de eerste gedachte die bij je opkomt dat je toch nog niet dood bent. Maar dan komt het besef dat je iets gedaan hebt wat tot dan toe nog door maar weinig mensen gezien werd.” De ontwerper doelt daarmee op zijn romantische couture die een chique atelier in Parijs niet zou misstaan, maar die in de wat ingetogen Nederlandse modekringen juist daardoor altijd stof heeft doen opwaaien.

De ontwerper werd opgeleid aan ArtEZ en startte in 2004 zijn eigen label. Collecties van zijn hand hadden direct een sterk eigen handschrift: complex geborduurde stoffen, avondjurken vol minutieus geplaatste kralen en pailletten, en een voorliefde voor doorleefde materialen vormden van het begin een stevige rode draad. Een overzicht van deze spectaculair stukken is nu in het Centraal Museum van dichtbij te bewonderen. We ontmoetten hem op de dag voor de opening in tuin van het museum, waar hij de laatste hand aan de expositieruimtes legt.

i-D: Is deze expositie een beetje een moment voor jou dat je eindelijk af kunt remmen in die gehaaste momenteel wereld en weer eens om je heen kunt kijken?
Jan: Ik moet zeggen dat ik me nooit heb geconformeerd aan dat gejaagde van de mode-industrie. Zo heb ik besloten niet meer in Parijs te showen tijdens de couture modeweek – hoewel ik groot fan ben van die stad en wat ze daar allemaal neerzetten – omdat ik voelde dat die snelheid me niet past. Ik wil de tijd kunnen nemen om te laten zien waar we lang en met veel liefde aan gewerkt hebben, in plaats van het vluchtig in tien minuten in zo’n show te presenteren. Deze expositie benaderde ik aanvankelijk vooral theoretisch – ik wilde simpelweg mensen een inkijkje laten nemen in wat mij de afgelopen jaren geprikkeld heeft. Best intiem.

Hoe is de selectie tot stand gekomen?
Vanzelfsprekend moesten de gekozen stukken het verhaal begeleiden dat ik wilde vertellen. Ik wilde openen met een balzaal, de uiteindelijke plek waar de jurken ‘in het echt’ belanden, en waar je als bezoeker toch op anticipeert. Daarna ga je letterlijk mijn hoofd in, en krijg je een inkijkje in m’n gedachteprocessen. Vervolgens kom je in ‘het huis’, waar al die inspiratiebronnen tot een stuk wordt gemaakt.

Welke inzichten heb je verworven over jezelf toen je deze expositie aan het samenstellen was?Ik denk dat de belangrijkste realisatie die ik heb gehad is dat ik al heel jong wist wat ik wilde. Ik heb altijd veel bewaard – brieven van een tienjarige Jan aan zijn moeder, hele mindmaps van hoe de wereld van Jan eruit zou komen zien. Maar ook stukjes stof van een vintage kledingstuk die jaren later opeens weer opduikt in het dessin van een jurk. Het zijn allemaal zaadjes die vroeg geplant werden en opeens dan weer de kop op steken. Al dat werk dat ik heb gemaakt voelt als het lezen van een dagboek. Je ziet erin terug wat je plezier en wat je struggles waren, en hoe dat verweven is geraakt in het ontwerpproces. Je ziet hoe je elk half jaar weer verder komt.

Heb je het eigenlijk als een druk ervaren dat mode zo seizoensgebonden is en dat je je om de haverklap weer ‘opnieuw moet uitvinden’.
Nee. Wat ik goed vind aan het systeem waar we nu in zitten is dat die momenten je steeds uitnodigen opnieuw iets te mogen zeggen – je mag elk jaar vertellen waar je bent. Als ik die druk niet zou voelen zou ik verzanden in het onderzoek.

Wat heb je echt als hoogtepunt ervaren in je carrière tot dusver?
Iedere keer als we er een nieuwe techniek bij leren ervaar ik dat als een hoogtepunt. Het is echt als het verfijnen van je penseelstreek. Verschillende kleuren garen door een kraaltje geven weer allerlei opties, en dat is opwindend. Ik heb altijd mijn eigen stoffen willen ontwerpen, omdat ik het heel heftig vond om die van een ander te gebruiken – het voelde dan niet als mijn verhaal. Ik wil het ontwerpen zo dicht bij mezelf houden.

Ik denk dat mensen van buitenaf snel geneigd zijn om te zeggen dat de jurken die je voor Maxima ontwierp het hoogtepunt zijn, omdat die echt je carrière lanceerde. Hoe heb je dat zelf ervaren?
Ik heb daar geen moeite mee. Ik vind het geweldig om mensen te kleden voor dat soort momentums, en dat er daardoor een platform is gecreëerd is voor mijn mode is een bijkomstigheid. Maar dat spelen met die perceptie – hoe mensen naar werk je kijken – is ook waar deze tentoonstelling over gaat.

Wat hoop je dat bezoekers mee zullen nemen van wat ze hebben gezien in je tentoonstelling?Met de tentoonstelling wil ik mensen uitnodigen weer eens om zich heen te kijken. Je ziet nu bijvoorbeeld binnen een aantal weken dat alle blaadjes zijn uitgekomen – die schoonheid is fascinerend. En laatst was er zo’n fotograaf die extreem heeft ingezoomd op het pantser van insecten, waardoor je opeens zag dat ook die weer vol microscopische haartjes zit, met allerlei kleuren. Maar ook dat er in zoiets als schimmelvlekken een soort schoonheid kan zitten. Dat blijven inzoomen, die gevoeligheid – dat vind ik belangrijk.

Is die liefde voor het organische, de natuur, een terugkerend motief in je eigen werk?
Een belangrijk thema voor mij is verval en vergankelijkheid, en de kwetsbare schoonheid die daarin schuilt. Dat planten leven en daarmee verschieten in kleur, dat we zelf ouder worden – dat zijn dingen die we juist moeten vieren. Een soort nieuwsgierigheid naar morgen, zou ik het willen noemen. Zo ben ik ook nieuwsgierig naar de Jan van morgen, of die van over veertig jaar.

Toch ontwierp je onlangs nog een virtual reality-bril, wat dan weer heel erg lijkt in te druisen tegen die voorliefde voor ‘het natuurlijke’.
Je moet begrijpen, ik ben een jongen van nu. Zo teken ik bijvoorbeeld niet meer zelf, maar doe ik alles digitaal. De computer is een ambacht, programmeren ook. Ambacht is tegenwoordig niet meer alleen naald en draad. De wereld van virtual reality zie ik ook als een spannend nieuw terrein waar nog veel te ontdekken valt.

En hoe denk je dat die Jan van over veertig jaar terug zou kijken op die van nu? Ik denk dat-ie hem zou feliciteren.
Ja? [lacht]. Ik hoop het.

De expositie 'Reflections' is tot en met 26 augustus te bezichtigen in het Centraal Museum in Utrecht. Kijk hier voor meer informatie.

Tagged:
Interview
couture
Centraal Museum Utrecht
jan taminiau