in de kledingkast van honderd balletdansers

We werden rondgeleid door het kostuumatelier van het Nationale Ballet. Twinkelende tiara’s, zachtroze spietsen en wolken van tutu’s zover het oog reikt.

door Nina Lissone
|
12 juli 2016, 10:45am

Het atelier oogt misschien op het eerste gezicht wat klein, maar dat komt waarschijnlijk vooral omdat elk hoekje volstaat met gaas en glimmende stofjes. Op een regenachtige dinsdag lopen we de artiesteningang binnen, nemen we de lift naar de vierde verdieping, en stappen we uit tussen de dansers en kleermakers. Aan het einde van een gangetje vinden we het kantoor van Oliver Haller, het hoofd van de kostuumafdeling. Oliver geeft ons graag een rondleiding door het doolhof van elfenkleding.

We beginnen in de wasruimte, wat eigenlijk meer een soort hi-tech wasserette is. "Dit is de minst glamoureuze kant van het vak, maar wel heel belangrijk," zegt Oliver. We knikken instemmend toe, want dansen in een bezweet pakje doet de sierlijke zwaan in je waarschijnlijk geen goed. Vandaar deze ingenieuze wasstraat. In enorme bakken kunnen de grootste tutu's compleet worden ondergedompeld, daarna hangen ze een tijde uit te druppelen, en tot slot worden ze behandeld met kunsthars - de tule moet tenslotte nog wel zijn vorm behouden. Wordt dit hele proces dan na elke voorstelling doorlopen, al die honderden pakjes(!)? Oliver schudt van nee. Soms worden de lijfjes en het kruis speciaal gewassen, of het geheel wordt in een soort metalen kast gezet, een ozonkast. Hierin worden de stoffen gesteriliseerd met behulp van ozon, en hoewel de vlekken er niet van verdwijnen jaagt het dus wel de bacteriën weg. "Dit is zover ik weet de enige in heel Nederland!" laat Oliver met lichte trots weten.

Het Nationaal Ballet produceert zelf alle kostuums van alle voorstellingen - en met rond de driehonderd pakjes per stuk, waarbij elke tutu rond de 38 uur werk kost, is dat nogal een massale operatie. Zoals dat over het algemeen bij het ontwerpen van kleding gaat, begint alles bij een tekening, waar vervolgens stoffen bij worden gezocht zodat er een begin van een magisch geheel kan worden gemaakt. Maar afgezien hiervan komt er heel veel meer kijken waar je als 'normale' kledingontwerper niet bij zou stilstaan, er moet namelijk natuurlijk ook nog in worden gedanst. De choreograaf gaat een verband aan met de ontwerper zodat alles tijdens de voorstelling zo mooi mogelijk zwiert en zwaait. Er moet worden nagedacht over hoe de stoffen zullen bewegen op het podium, hoe de constructie al die bewegingen aan gaat kunnen, of de dansers het wel aankunnen - dat soort dingen. "Onze dansers zijn topsporters," legt Oliver uit. "Balletkostuums zijn vaak niet mooi als iemand stilstaat, ze zijn gemaakt voor beweging." De 'kieuwen' die bij de pakjes zijn ingebouwd zijn nodig voor de 6 a 9 centimeters die elke danser inademt bij de hoogste inspanning tijdens de voorstelling. "Het kan niet zo zijn dat een danser iets niet kan door het kostuum. Hoe lichter hoe beter."

Zo wilde de ontwerper voor Assepoester bijvoorbeeld fazantenveren in een jurk verwerkt hebben (geïnspireerd op een jurk van Galliano), maar fazantenveren vergaan redelijk snel als je ze een paar keer door elkaar schudt. Dus als compromis werden er fazantenveren met zorg op een rij op de grond neergelegd, en vervolgens gefotografeerd. De foto's werden omgetoverd tot stukken stof, en zo zaten er toch fazantenveren op Assepoesters jurk. Soms moet je een beetje vindingrijk zijn. Bij elke productie hoort een specifieke garderobe, want bij elke choreografie hoort een speciale beweging van stoffen. En dat is bloedserieus, in de woorden van Oliver: de kostuums trouwen met het stuk. Als dit huwelijk dan ooit op de klippen loopt eindigt de echtscheiding soms in het verbranden van alle kostuums. De stukken hadden een tijd en een plek op een bepaald podium, maar die tijd is dan voorbij. En de vluchtige schoonheid van de kostuums blijft dan voor altijd specifiek aan de choreografie; sommige ontwerpers willen niet dat hun creatie zonder de dans blijven voortbestaan.

De volgende stop maken we bij de opslag, met een korte omweg via de paskamers. Omdat alles uiteindelijk moet werken op het podium, zijn de paskamers ook kleine podia; de spiegel staat precies zo ver als de eerste rij stoelen van het podium, het licht kan uitgebreid worden aangepast en er is genoeg ruimte om rond te springen. Weer een verschil met alledaagse kleding. "Mooi, exclusief kant ziet er vaak op een afstandje uit als een huidziekte. Terwijl een beetje ordinair kant waar van je denkt 'hmm' er van veraf juist heel chique uitziet," legt Oliver uit met een stuk 'goedkope' kant tussen zijn vingers. De modeontwerpers die zich wagen aan balletkostuums moeten dan ook compleet worden omgeschoold. Inmiddels staan we tussen de rijen kleding, met onze neuzen bovenop de prachtigste pakjes die delicaat op hun hangers rusten. Dit is maar het puntje van de ijsberg aan tule, want de rest is opgeslagen in een enorme loods in Amsterdam Zuidoost. Tien-tot vijftienduizend kostuums hangen daar, stel je voor.

We zijn al best onder de indruk van deze, kleinere, opslag. Onze ogen weten niet waar ze moeten kijken. Ik vraag aan Oliver of hij een lievelingsstuk heeft, maar bedenk op hetzelfde moment dat dat waarschijnlijk zoiets is als vragen wie je lievelingskind is. Toch heeft Oliver een antwoord. Hij leidt ons naar een rek ergens achterin, en haalt twee pakjes tevoorschijn, een rode en een blauwe. Twee bodysuits met stroken horizontale stof als tweede laag op een huidskleurig pakje, ze zouden bijna van de American Apparel kunnen komen. "Het oogt misschien een beetje simpel, maar op het podium is dit prachtig."

De grootste schoonheid van deze kostuums schuilt waar je het niet kan zien. In de uren werk die elke naad kost, in hoe elke laag en elke detail is uitgedacht om zo goed mogelijk over te komen op het podium, in het harde werk van de danser, en hoe de kleding zich hier zo goed mogelijk op aanpast. De schoonheid schuilt in hoe de stof het verhaal en de muziek vertolkt waarvoor het kostuum is gemaakt, en een deel van dat verhaal is het ultieme vakmanschap van het atelier. Dit is de essentie van wat het betekent om kleding te maken, vergeet mode. Tutu's en tiara's zijn mooi. Maar pure bekwaamheid en kwaliteit is nog veel mooier.

Credits


Tekst Nina Lissone
Fotografie Verena Blok

Tagged:
ballet
Fotografie
het nationale ballet
kostuumatelier
oliver haller