uit een creatief nest: carmen schabracq

Fotograaf Ramona Deckers bezoekt jonge creatievelingen bij hun tevens creatieve ouders thuis. Vandaag: Carmen Schabracq.

door Rolien Zonneveld
|
22 februari 2018, 1:11pm

In deze serie bezoeken we samen met fotograaf Ramona Deckers het ouderlijk huis van jonge creatievelingen, wiens ouders ook carrières in de kunsten hebben. In een gesprek tussen twee artistieke generaties spreken ouder(s) en kind over hun overeenkomsten, hun verschillen en in hoeverre zij elkaar beïnvloeden. Deze week bezoeken we Carmen Schabracq, die vanuit haar achtergrond als kostuumontwerper en beeldend kunstenaar kleurrijke performances vol mythen, rituelen en maskers maakt. Samen met haar zusje groeide zij op in een oud, roze schoolgebouw in Amsterdam. Vader Alexander is bewierookt beeldend kunstenaar: zijn grote sculpturen – die veel weg hebben van exotisch totempalen vol vreemdsoortige wezens – staan verspreid over heel Nederland. Daarnaast schildert hij, is hij industrieel ontwerper, collagekunstenaar, graficus, ijzer- en edelsmid, keramist en meubel- en productontwerper. Als we het huis betreden worden we overdonderd door de gigantische – maar zorgvuldig gecureerde – verzameling van kunstobjecten die niet alleen de muren sieren maar zo ongeveer elke stukje vrij oppervlak bedekken. Zo staat er op het aanrecht een vissenkom-vormige kubus waar koraalkleurige lavastenen doorheen groeien, hangt er een grote plastic boterham met een gebakken ei aan de muur en is de televisie versierd met een een soort reuze bedelketting vol religieuze figuren.

i-D: Om te beginnen, waar zijn we eigenlijk?
Alexander: Eind jaren tachtig bevond ik me in het krakerscircuit en werd ik getipt dat er een oud schoolgebouw leeg zou komen te staan. De buurt waar het gebouw stond was toentertijd nog achtergesteld, vol tokkies en heroïnejunks. Toen ben ik gekoppeld aan een andere kunstenaar, Harry Heyink, en hebben we de ruimte opgedeeld. Na twee jaar was het pand van ons en konden we het verder verhuren aan kunstenaarsvrienden van ons, waaronder Etienne Elias en Rhonda Zwillinger.

Waren jullie dan zo’n soort kunstzinnige broedplek?
Alexander: Nou, broedplek, broedplek. Dat was een woord dat goed viel bij officiële instanties, dus we noemden het graag zo, ja [lacht]. Maar zo’n krakersbeweging bestond uit allerlei verschillende groepen mensen. Je had van die hele linkse die met z’n allen in één ruimte leefden en alles met elkaar deelden, van die commune-achtige toestanden.
Carmen: Wat voor een soort krakers waren jullie dan?
Alexander: Wij kwamen allemaal van de Rietveld. Wij moesten ook wel één keer per week met z’n allen gezamenlijk eten, maar je kon meer je eigen gang gaan. Natuurlijk zaten er wel wat fanatici tussen die zich bezighielden met politiek, maar daar voelde ik me nooit echt thuis. Met die Rietveld-studenten kraakte ik eerst een oude diamantfabriek, daar waar nu de Stopera staat. Op het Waterlooplein haalde ik dan allerlei zooi van straat – zo had ik bijvoorbeeld een groot kledingrek waar ik allemaal bontjassen aan hing.

Dat klinkt best excentriek. Zag je er opvallend uit?
Alexander: Dat viel best mee.
Carmen: Nou…
Alexander: Ik was geen punker bijvoorbeeld, maar zou mezelf wel als vrij kleurrijk beschrijven. Zo was mijn vriendinnetje van die tijd een zigeuner, wiens moeder op de wallen werkte. Kijk, zelf kwam ik uit de Slotervaart, een nieuwbouwwijk, en dat morsige van de binnenstad trok mij aan.

Het Amsterdam van toen voelt nu erg ver weg.
Carmen: Jonge mensen die nu in de binnenstad zouden willen wonen worden verdreven door yuppen en expats.
Alexander: En dat is wel een probleem, ja.
Carmen: Ik woon nu in een mooi appartement bij Artis, maar de huur is zo belachelijk hoog. En dan te bedenken dat er ook nog atelierkosten bij komen.
Alexander: Die hele creatieve sector wordt eigenlijk de nek omgedraaid. Aan de andere kant zullen het juist die creatieven die met nieuwe oplossingen komen. Ik ben daarin een optimist.
Carmen: Toch heeft onze generatie niet dezelfde mogelijkheden. Zo is er op dit moment bijvoorbeeld helemaal niet zo veel leegstand in Amsterdam.

Zo’n groot pand als dit zou je volgens mij inderdaad niet zo snel tegenkomen vandaag de dag. Hoe was het om op te groeien in dit huis?
Carmen: Je bent natuurlijk niet anders gewend. Er gebeurde altijd veel in dit huis. Ik weet nog dat er hier in de jaren negentig een aflevering van de televisieserie Oud Geld opgenomen werd. Ik was zeven of acht en ons hele huis was een filmset. We sliepen met z’n drieën in mijn vaders slaapkamer, omdat mijn slaapkamer voor haar en make-up gebruikt werd. Ik en mijn zusje scharrelden daar dan altijd rond. Het was toen wel duidelijk dat ik uit een artistiek gezin kwam, maar ik was er niet zo mee bezig.
Alexander: En als ze jarig was bouwden we in de woonkamer een enorme bedoeïenentent.
Carmen: Het huis leende zich goed voor leuke feestjes. Ik heb me nooit voor ons huis geschaamd – in tegendeel eigenlijk. Ik ben er zelfs wel trots op.

En had je het idee dat je, doordat je jong werd blootgesteld aan kunstenaars en je vader kunstenaar was, jij datzelfde pad bent gaan volgen?
Carmen: Zeker. Maar ik weet nog wel dat toen ik vwo deed en zei dat ik kunstenaar wilde worden, dat mijn vader zei dat ik naar de universiteit moest.
Alexander: Het is gewoon niet makkelijk geld verdienen als kunstenaar.
Carmen: Toch doe ik dat nu wel.

Net als jijzelf.
Alexander: Door heel hard te moeten werken.
Carmen: Ik wist gewoon dat ik heel graag naar de kunstacademie wilde. Eerst ging ik schilderen studeren aan de kunstacademie in Rome, later bedacht ik dat ik naar de Rietveld wilde – een keuze die erg beïnvloed is door mijn vader en hoe ik ben opgegroeid. Vervolgens heb ik toen nog tot vrij voorkort mijn atelier hier in het huis van mijn vader gehad.
Alexander: Het is belangrijk geweest dat je toen je eigen plekje bent gaan zoeken, want tot haar grote ergernis kon ik me er wel eens flink tegenaan bemoeien.

Op welke manier?
Carmen: We hebben allebei nogal een uitgesproken mening [lacht].
Alexander: Het was belangrijk dat je zelf ging creëren, en dat je een beetje loskwam van mij. Je moet je eigen referentiekader opbouwen – dat is een essentieel aspect aan het kunstenaarschap.
Carmen: Dit alles om mij heen heeft natuurlijk erg invloed gehad op mijn beeldtaal, iets wat zeker niet iets negatiefs is. Zo zag ik laatst een oude kinderfoto van mij terug waar ik al een zelfgemaakt masker droeg, omdat ik vroeger altijd gefascineerd was door een Afrikaans maskerboek van mijn vader waar ik dan doorheen bladerde. Maskers zijn nu een terugkerend element in mijn werk. Toch zie je ook wel echt verschillen in ons werk. Ik ben bijvoorbeeld heel erg bezig met textiel en wol.
Alexander: En ik ben beeldhouwer, schilder, en doe industrieel ontwerp. Ik heb een eigen smederij.
Carmen: We houden dus allebei van werken met onze handen en van tastbare materialen, maar wel van heel verschillende.
Alexander: En van kleur. Ik ben sterk beïnvloed door de nieuwe figuratie [de aan popart verwante schilderstijl in België en Nederland, red.], iets wat jou met de paplepel is ingegoten. De kleuren die ik gebruik zijn heel on-Nederlands – ze liggen helemaal niet in lijn met dat zwart-wit Nederlands calvinisme.
Carmen: Ik geef zelf ook graag wat meer kleur aan het leven, omdat ik het anders gewoon te saai vind.

En wat delen jullie verder?
Alexander: We delen een gevoel voor humor.
Carmen: En zelfspot.
Alexander: Ik heb van mijn ouders een sterk gevoel van ambitie meegekregen, iets wat ik ook bij jou terugzie.
Carmen: En doorzettingsvermogen.
Alexander: Mijn ouders hadden in de Tweede Oorlog een hoop ellende meegemaakt, maar zijn altijd optimistisch gebleven. Ik geloof daardoor echt dat optimisme en creativiteit hand in hand gaan.

Is optimisme dan een soort centrale waarden in jullie gezin?
Alexander: Dat zou je wel zo kunnen zeggen, ja.

Lees onze eerste editie van deze serie met Romy de Vries hier.