het is hoog tijd dat modeacademies inclusiever worden

We gingen met een aantal schoolhoofden van modeacademies in gesprek – om de problemen die er nu zijn in kaart te brengen, maar vooral op zoek te gaan naar oplossingen.

door Adriënne van der Werf
|
28 november 2017, 10:49am

i-D spreekt mensen uit de mode-industrie om erachter te komen of we er al echt zijn op het gebied van diversiteit en stelt daarbij misstanden aan de kaak. Lees er hier meer over.

Modeopleidingen kunnen voor de buitenwereld een beetje een elitair karakter te hebben. De strenge toelatingseisen, een hoge werkdruk en de kosten die een modestudie kenmerken dragen daaraan bij – maar ook door het gebrek aan diversiteit lijken modeacademies nog wel eens ‘witte bolwerken’ te zijn. En dat laatste aspect is met name is problematisch. Aan deze academies studeren de toekomstige ontwerpers af die de rest van de modewereld die zelf pas langzaam inclusiever aan het worden is gaan vormgeven. Maar hoe kunnen opleidingen ervoor zorgen dat ze een diverse groep studenten opleiden? Als afgestudeerd modestudent van AMFI sprak ik met alumni en schoolhoofden van modeacademies om te praten over een inclusieve aanpak. Daaruit bleek zowel consensus als verschil, maar ook verontwaardiging en kritiek. Op basis van deze interviews, en mijn persoonlijke ervaringen, heb ik een aantal constateringen gedaan. Het is overigens alles behalve de bedoeling om met een vinger te wijzen naar bepaalde opleidingen. Dit onderzoek is juist bedoeld om het debat open te breken, en vervolgens niet in dat debat te blijven hangen, maar te kijken naar concrete oplossingen.

Er is (bijna) geen beleid om inclusiviteit op modeacademies te verbeteren
Modeopleidingen hebben net als de meeste opleidingen een toelatingsprocedure die nodig is om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Maar waar vaak geen sprake van is, zijn expliciete maatregelen die ervoor zorgen dat er een diverse groep studenten zich aanmeldt. Dat heeft volgens René van der Velde (hoofd Fashion & Branding, AMFI) meerdere redenen: “Op andere faculteiten van de Hogeschool van Amsterdam zien we wel genoeg diversiteit. Dat is vooral op de opleidingen waarbij de baangarantie hoger ligt. Ik denk dat het aan culturele opvattingen en normen en waarden ligt – zoals dat er bijvoorbeeld gebotst kan worden met hoe er met seksuele geaardheid wordt omgegaan op een modeopleiding. Dat kan mensen afschrikken.” Ook Anke Jongejan (hoofd Fashion Design, HKU) geeft eenzelfde oorzaak aan. “Mode is voor ons een cultureel product. Het gaat voorbij het mooiste overhemd. Je moet weten hoe mode geleefd wordt. Als je modebeeld beperkter is, kan je geschiktheid voor de bachelor fashion design daaronder lijden: misschien sluit je dan bepaalde groeperingen uit.” Deze twee uitspraken lijken geworteld te zijn in stereotypen – namelijk dat jongeren met een islamitische achtergrond homofoob zouden zijn, en mensen met bijvoorbeeld een migrantenachtergrond een minder wereldse blik zouden hebben.

Vakken over gender en diversiteit worden vaak gegeven door leraren die voldoen aan de witte-cis-norm, wat er bijvoorbeeld voor zorgt dat mijn ervaringen als zwarte vrouw niet in de lesstof terugkomen.

Overigens hanteren de scholen wel een eigen definitie van diversiteit: “Diversiteit betekent bij ons internationalisering en de wijze waarop een student op veel verschillende manier kan afstuderen”, zegt René van der Velde. Anke Jongejan geeft echter aan dat er genoeg culturen worden gerepresenteerd op de HKU. “We hebben een aardig gemengde club – het merendeel van onze leerlingen heeft een diverse culturele achtergrond. Wel zijn er veel minder jongens dan meisjes.” Daarbij kijken ze volgens haar vooral naar de potentie van studenten, en niet naar hun achtergrond. Wel voegt Van der Velde daaraan toe dat het toch vooral witte meisjes zijn die toelating doen. “Een aantal jaar geleden hebben we voor het eerst twee meisjes met een hoofddoek zien afstuderen, maar dat is zeker een uitzondering op de regel.”

Duidelijk is dat leerlingen van andere culturen zich om verschillende redenen niet aangetrokken voelen tot een modeopleiding, maar dat lijkt vooral te maken te hebben met het feit dat deze groep niet genoeg wordt aangesproken. Maar hoe doe je dat?

Voor alumni Serana Angelista vormt een divers lerarenteam een belangrijk aspect. Tijdens haar opleiding Grafisch Ontwerp aan de Willem de Kooning Academie volgde zij de minor Critical Studies — lessen waarin ze in contact kwam met modestudenten. “Vakken over gender en diversiteit worden vaak gegeven door leraren die voldoen aan de witte-cis-norm, wat er bijvoorbeeld voor zorgt dat mijn ervaringen als zwarte vrouw niet in de lesstof terugkomen. Voor de keuzevakken en lezingen werden gastdocenten gevraagd die wél goed met bronnen om wisten te gaan en konden vertellen vanuit een niet-wit vertrekpunt. Deze leraren worden dan alleen weer niet in een vast docententeam geplaatst, waardoor er geen structurele institutionele verandering optreedt.”

De mogelijke oplossing om een bredere groep aan de poort van de modeacademies te krijgen lijkt op het eerste gezicht eenvoudig, alleen in de praktijk blijft het complex. Hoewel de Willem de Kooning Academie met hun onderzoekscentrum ‘Creating 010’ onderzoek heeft gedaan naar deze problematiek binnen de kunstacademie, lijkt het merendeel van de modeopleidingen nog niet actief bezig te zijn met het aantrekken van een diverse doelgroep. Serana gelooft dat die verandering van bovenaf moet komen. “Als jij jezelf niet gerepresenteerd voelt door een groep, waarom zou je je er dan door aangetrokken voelen? Er moeten structurele veranderingen komen vanuit de top van het instituut: alleen dan is er ruimte voor meer inclusie en zal een instituut als de Willem de Kooning zich meer spiegelen naar het straatbeeld.”

Het curriculum is voornamelijk gefocust op een westers modebeeld en kaart maatschappelijke problematiek maar oppervlakkig aan
Ook op inhoudelijk vlak blijkt er ruimte voor verbetering; het curriculum van modeopleidingen is vaak nog volledig gebaseerd op een westers modebeeld. Een breder probleem dat ook op andere opleidingen steeds vaker wordt geconstateerd. Hoewel universiteiten bezig zijn met een ‘dekolonisatie’ van hun curriculum (het herschrijven van het dominante witte perspectief van de geschiedenis) lijken modeopleidingen hier nog niet in geslaagd. Doron Beuns (alumni Fashion & Management, AMFI) vindt dat “er meer nuance mag zijn in de overdreven eerbied naar westerse mode-genieën.” Jiske Kosian (alumni Fashion Design, HKU) deelt dat gevoel: “Er wordt alleen maar aandacht besteed aan de westerse mode- en kunstgeschiedenis.”

Nu diversiteit een ‘trending topic’ is is juist een inhoudelijke duiding nodig. Als dit niet structureel in een curriculum wordt aangeboden, lijkt dit volledig aan het probleem voorbij te gaan.

De uitwerking van een breder onderwijs in de modegeschiedenis is tweeledig: er wordt een objectiever beeld geschept van wat mode is, en leerlingen met een niet-westerse achtergrond zullen zich beter gerepresenteerd voelen binnen de leerstof. Andere modeopleidingen, zoals make-upscholen, weten (mede door praktische redenen) wel een inclusief aanbod te bieden waardoor er verschillende etniciteiten worden aangetrokken “Binnen mijn opleiding heb ik gekozen voor specialisatie in de visagie voor donkere modellen,” aldus Charlotte van Beusekom (alumni, House of Orange). “Je zag dat daar vooral donkere visagisten op af kwamen.”

Daarnaast is het volgen van kritische vakken over mode nu een keuze van de student zelf. Het is niet dat er geen interesse is voor maatschappelijke thema’s zoals diversiteit, maar de leraren leggen de bal bij de leerlingen en komen niet vanuit het instituut met handvatten. “Fenomenen als steden waarin het overgrote merendeel van de bevolking uit een minderheidsgroep bestaat worden in de lessen besproken en de leerlingen zijn zich daar zeer bewust van,” aldus Anke Jongejan. Alleen er is een verschil tussen kennis over een bepaald onderwerp en engagement. Nu diversiteit een ‘trending topic’ is is juist een inhoudelijke duiding nodig. Als dit niet structureel in een curriculum wordt aangeboden, of als er geen mogelijkheid is tot verbreding binnen de opleiding via minoren aan andere scholen, lijkt dit volledig aan het probleem voorbij te gaan . Jiske Kosian herkent dit: “We hebben het tijdens onze vakken wel vaak gehad over maatschappelijke problemen, zoals homo-acceptatie of de vluchtelingenstroom, maar toch heb ik het idee dat er nooit kritisch is gekeken naar hoe dat eigenlijk op de academie zelf wordt doorgevoerd.”

Maatschappelijke problemen zoals diversiteit worden dus vaak wel aangehaald in de lessen, maar krijgen geen structurele duiding in het curriculum. Het inhoudelijke kader van het curriculum kan veel breder worden getrokken en zich zo niet blijven beperken tot het westerse modebeeld. Alleen dan kan er een bewustwording gecreëerd worden die de beeldmakers van de toekomst helpt om een inclusief modebeeld te realiseren.


Instituten geloven niet dat zij een leidende rol hebben om een verandering teweeg te brengen.
Tijdens de gesprekken die ik heb gevoerd kwam er één aspect het meest naar voren: de manier waarop er werd omgegaan met verantwoordelijkheid. De opleidingshoofden van het AMFI en het HKU vonden dat een mogelijke verandering binnen het modesysteem niet zozeer bij het instituut lag, maar dat de leerlingen dit zelf moeten aankaarten. “Ik heb het idee dat een verandering eerder van onderaf moet komen,” vertelt René van der Velde. Maar als je geen diverse groep weet te betrekken binnen je opleiding, je studenten niet onderwijst in een objectief geschiedenisbeeld en ze niet structureel kritisch leert na te denken over maatschappelijke thema’s, hoe verwacht je dan dat je die kritische onderlaag krijgt?

Pascale Gatzen, het nieuwe hoofd van de master Fashion Design aan het ArteZ, kijkt hier anders tegenaan. “Sociale veranderingen beginnen bij ander onderwijs. Wat voor verschuivingen er ook moeten plaatsvinden, het is belangrijk dat we zo verbonden mogelijk zijn.” Pascale probeert dit te bereiken door een hechte groep van studenten te creëren die niet zozeer bezig zijn met hun status als sterontwerper, maar eerder kijken naar hoe het maken van kleding mensen kan verbinden. Hoewel het opleidingshoofd niet zozeer met het actief betrekken van een diverse groep leerlingen bezig is, benadert ze modeproductie als een compleet ander gegeven én legt ze de verantwoordelijkheid bij het individu en de groep. Dat is precies waar we naartoe moeten, want als de verbinding binnen een groep sterk is, dan draagt iedereen een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Om deze richtlijnen door te kunnen voeren is het vooral belangrijk dat modeopleidingen beseffen wat voor invloed zij als instituut hebben op de toekomstige beeldmakers. Natuurlijk zijn het niet alleen de modeopleidingen die zorg dragen voor een inclusiever modebeeld. Die verantwoordelijkheid dragen we allemaal.