Advertentie

de zin en onzin van collecties die gemaakt worden van overtollige kleding

Steeds meer Nederlandse merken maken nieuwe collecties van overgebleven en overtollige voorraden. Maar in hoeverre zet dit zoden aan de dijk?

door Anne Dirks
|
09 maart 2018, 12:40pm

De internationale modeweken zijn officieel weer voorbij en als er een boodschap was die breed uitgedragen werd, was het wel dat het huidige modesysteem op de schop moet. Zo noemde Symonds Pearmain tijdens de London Fashion Week de industrie “een commerciële vleesmarkt die niet meer werkt.” JW Anderson koos ervoor “de genadeloze snelheid van mode” af te remmen door een collectie van niet-seizoensgebonden vrouwen- en mannenkleding te presenteren. En Vêtements plaatste enorme bergen tweedehands kleding in de etalage van Harrods, met als doel mensen bewust te maken van overproductie.

Maar ook binnen onze eigen landsgrenzen lijkt men iets soortgelijks te voelen. Zo bundelde Alexander Slobbe de krachten met Francisco van Benthum in de vorm van het nieuwe label Hacked, dat uitsluitend bestaat uit stukken gemaakt van overstock (de overtollige voorraad van vorige seizoenen die in kledingfabrieken blijft liggen). Ook kondigde iNDiViDUALS, het modelabel van AMFI, aan ‘under reconstruction’ te zijn, om het merk langzaam om te vormen naar een “voorbeeld voor de toekomst van duurzame mode.” De collectie die de modestudenten onlangs presenteerden was dan ook helemaal gemaakt van overgebleven resten stof en niet-verkochte kleding van de voorgaande jaren. Daarnaast creëerde ook Viktor & Rolf voor Zalando een complete collectie van de overtollige voorraden van de webshop.

De buzzwords van dit moment lijken daarmee dus ‘overstock’ en ‘slow-fashion’ te zijn – beide als tegenhanger van de fast-fashion die wordt voortgestuwd door de grote modeketens en webshops. We spraken met Willa Stoutenbeek van W.Green, die al bijna vijf jaar lang helpt met de communicatie en branding van duurzame merken. Zij ziet duurzaamheid terrein winnen binnen de mode: “Je ziet dat er de laatste jaren een verschuiving plaatsvindt. Duurzame merken zijn allang niet meer alleen voor geitenwollen-sokken-in-sandalen-types, iets wat vooral millennials inzien.” Uit een rapport blijkt dat de Nederlandse modesector jaarlijks zo’n 21,5 miljoen kledingstukken over houdt. Dat is 6,5 procent van de gehele hoeveelheid kleding die geproduceerd wordt en achterblijft bij producenten, groothandels en winkeliers. Geen gek idee dus om er wat mee te gaan doen. De vraag is nu alleen: hoeveel effect heeft zo’n eenmalige collectie daadwerkelijk op het milieu?

"Wanneer je van eigen overstock weer nieuwe producten maakt, is er geen milieuwinst. Je moet dit zien als het corrigeren van een eerdere fout.”

Anton Luiken, expert op het gebied van hoogwaardige textielrecycling, is sceptisch. “Overstock is een gevolg van slechte logistiek in de kledingketen. Er is te veel geproduceerd, kledingstukken voldoen niet aan de verwachtingen of het weer valt tegen, waardoor er bijvoorbeeld minder winterjassen worden verkocht dan verwacht. Wanneer je van eigen overstock weer nieuwe producten maakt, is er geen milieuwinst. Je moet dit zien als het corrigeren van een eerdere fout.”

Het is een ander verhaal als merken gebruikmaken van de overstock van andere bedrijven en merken. “Als de overstock van andere bedrijven gebruikt wordt, hangt de milieuwinst af van wat er anders met die overstock zou gebeuren,” zegt Luiken. “Er zijn merken die hun overstock gewoonweg verbranden of vervezelen. Dan is er een beperkte milieuwinst door deze kleding opnieuw te gebruiken voor een nieuwe collectie. Andere merken verschepen het naar Afrika met de garantie dat het nooit meer terugkomt. Je kunt je afvragen of dat niet een betere oplossing is.”

Het eenmalig gebruiken van overstock voor een collectie zet volgens deze experts dus geen zoden aan de dijk. Zij waarschuwen voor marketingtrucs, die jou het gevoel geven dat je niet alleen een nieuw kledingstuk hebt, maar ook nog de wereld een stukje mooier maakt. Of, zoals Willa Stoutenbeek het samenvat: “Het is symptoombestrijding, in plaats van de wortel van het probleem aan te pakken.”

Gelukkig zijn er er genoeg modeontwerpers – zowel internationaal als nationaal – die zich langdurig inzetten voor een betere industrie. Vivienne Westwood en Stella McCartney pleiten al jaren voor een nieuwe manier van mode – en doen dat met succes. Iets dichter bij huis laat Bruno Pieters met Honest By zien dat transparantie over de keten en mode prima samengaan. Bovendien staan er elk jaar veelal jonge designers op, die weigeren mee te gaan in de ratrace die mode heet, met niet-seizoensgebonden collecties, al dan niet gemaakt van duurzaam materiaal.

Ontwerper Lisa Konno zoekt in haar collecties constant naar nieuwe innovaties op het gebied van textielrecycling en textielproductie, waarbij ze de onvrede over de huidige mode industrie omzet in eclectische mode met veel prints en texturen. Liselore Frowijn ontwierp een collectie met duurzame materialen als nepleer, gemaakt van ananassen. Marije Seijn toonde de afgelopen Amsterdam fashionweek een collectie van leren jasjes die zij volledig vervaardigde uit materiaal dat ze vond op straat.

Nu een aantal merken de barricade opgaan voor een betere, duurzame industrie heeft de rest geen andere keuze dan volgen. Niet met een eenmalige marketingstunt, maar door binnen de hele keten van hun merk veranderingen toe te passen, zodat het uiteindelijk makkelijker wordt om als consument de juiste keuze te maken. Want waarom zou je als consument niet investeren in een ethisch verantwoorde spijkerbroek, wanneer deze er ongeveer hetzelfde uitziet, dezelfde (al dan niet betere) kwaliteit heeft en evenveel kost als het niet-ethische alternatief? Of fast-fashion daadwerkelijk het vermogen heeft om het tempo te verlagen zal de komende jaren uitwijzen. Tot die tijd is het voor consumenten een kwestie van de daad bij het woord voegen.