Fotografie Françoise Tremblay

zo ziet volgens peter leferink het modeonderwijs van de toekomst eruit

De hoofddocent van AMFI deelt met ons zijn progressieve ideeën. “We moeten gaan kijken naar ontwerpen die gebaseerd zijn op noodzaak in plaats van decoratie.”

door Rolien Zonneveld
|
08 januari 2019, 2:07pm

Fotografie Françoise Tremblay

De komende weken blikken wij met verscheidene poortwachters van de Nederlandse mode-industrie vooruit op 2019. Vandaag: Peter Leferink, hoofddocent AMFI en directeur van stichting M-ODE.

Als je aan de spraakmakendste modemomenten van 2018 denkt noem je wellicht de aanstelling van Virgil Abloh bij Louis Vuitton, het Met Gala met katholicisme-thema, de mode-faux-pas (meervoud) van Melania Trump of de vaginabroek van Duran Lantink in de clip van Janelle Monáe. Stuk voor stuk momenten die smakelijk in de media besproken werden. Maar wat te denken van de structurele ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden? Neem bijvoorbeeld het bontvrij gaan van bepaalde labels, de overstap naar digitaal ontwerpen, en het zicht bewust afzetten tegen seizoensgebonden collecties door giganten als J.W. Anderson?

Het huidige modesysteem moet op de schop, zo lijkt het algemene vonnis te luiden. En nergens weerklinken die sentimenten zo duidelijk als op de modeacademies, waar een jonge en bewuste generatie trappelt om zijn stempel te drukken op de industrie. Om erachter te komen hoe een vooraanstaande Nederlandse academie als AMFI hierop inspringt spraken wij hoofddocent Peter Leferink, die met ons zijn verfrissende visie deelt.

i-D: Welke ontwerpers hebben jou in 2018 verrast, zowel nationaal als internationaal?
Peter: Wat me vooral positief verrast heeft is de omslag van modemakers, en daarmee indirect ook het modepubliek, naar een kritischere visie: duurzamer, diverser en met een langzame herwaardering van blijvende kwaliteit. Internationaal gezien ben ik zeer blij verrast met de mega stap van Rushemy en Lisi. Lisi is destijds cum laude afgestudeerd bij ons aan het AMFI en Rushemy maakte ook al een vliegende start met Botter. Maar dat hun ster zo snel zou rijzen is wel heel bijzonder. Op nationaal niveau zie ik een heleboel verrassende bewegingen, waarbij ik de kracht van Amsterdamse mode-collectieven zoals Daily Paper, L'Origine en The New Originals heel bijzonder vind. Tot slot ben ik blij met de toegenomen aandacht voor de kruisbestuiving van mode en technologie. Daar valt zoveel duurzame winst te halen.

Wat waren op professioneel gebied jouw hoogtepunten van 2018?
Vanuit AMFI kan ik zeggen dat ik als hoofddocent vooral blij ben met de waanzinnige plekken waar alumni landen en succesvol worden: van een Danielle Cathari – voor Adidas en nu ook zichzelf – tot een Rushemy en Lisi, maar ook anderen zoals Marlies Reukers die een techlab voor PVH is gaan uitwerken op het gebied van VR-design.

Voor de stichting M-ODE was het ook een heel bijzonder jaar; Iris Ruisch en ik startten in januari 2018 en vanaf de eerste week tot aan 31 december zijn er plannen en projecten op ons pad gekomen. We hebben diverse designers en start-ups al verder kunnen helpen aan zichtbaarheid, een netwerk en andere waardevolle verbindingen. We Make M-ODE tijdens het We Make The City-festival was ook een hoogtepunt.

Wat is er anders aan mode studeren anno 2019 dan toen jij zelf mode studeerde?
Het verschil is groot. Ik weet dat men het vaak over golven heeft, en dat dingen toch steeds weer hetzelfde zouden worden, maar de huidige generatie studenten is in mijn beleving niet te vergelijken met enige generatie die hen ooit voor ging. Ze willen dingen ondernemen die er echt toe doen, voor zichzelf, maar ook zeker voor anderen, en steeds vaker voor de planeet. Daar staat tegenover dat ze onzekerder zijn dan ooit en dat het creatieve uiten, wat gepaard gaat met emotie, niet vanzelf op gang komt – uitzonderingen daargelaten natuurlijk. De sociale interactie is anders en vereist een andere aanpak. ‘Gewoon’ ouderwets kennis overdragen en eisen stellen aan de leercurve en bijvoorbeeld het aantal producten is volslagen verouderd. We moeten met de studenten samen zoeken naar de beste uitingsvormen voor wat ze te vertellen hebben. Daarbij hoort een type begeleiding, maar ook een tijdspad en een product of onderzoek dat aansluit bij specifieke ambities en visies. Dat kan een 'klassieke' collectie van outfits zijn maar ook andere routes: zoals er nu bijvoorbeeld een student is die mondkapjes ontwerpt tegen fijnstof, waarmee zij mode met functionaliteit combineert. We moeten ons onderwijs steeds meer inrichten op deze hybride vormen van design, die gebaseerd zijn op noodzaak in plaats van decoratie.

Welke veranderingen in idealen merk je op bij aanstaande generatie ontwerpers?
Ze zijn veel meer betrokken bij de wereld om hen heen. Ze zijn zich bewust van bedreigingen en realistisch genoeg om te onderkennen dat als ze deel van een oplossing kunnen zijn. Het oude idee dat modestudenten diva's zijn die enkel leven voor die vijftien minuten catwalk fame is gelukkig weg. Natuurlijk willen ze aandacht, dat wil iedere creatieve geest, maar op een gezonde en kritische manier.

Welke veranderingen heb jij als hoofddocent samen met je collega’s in de loop der jaren in het curriculum van AMFI doorgevoerd?
De grootste veranderingen zijn dat we het onderwijs volledig op duurzaamheid hebben ingericht, en daarnaast dat we zijn afgestapt van een vast format – namelijk, maak een x-aantal outfits – en van een kwantitatieve benadering. Zoals ik eerder al zei, vragen deze tijd en huidige generaties om een andere benadering; diversiteit is key en we zien ontwerpers meer en meer als ‘developers’. De modestudent moet in staat zijn haar eigen pad te kiezen, dat trachten we in toenemende mate te faciliteren. En we zijn niet klaar; een geweldig team van changemakers heeft een compleet nieuwe aanpak ontwikkeld voor het eerste jaar. Als we daarmee uit de startblokken komen volgend jaar zal ons onderwijs ingrijpend veranderen. Zo kunnen we nog veel beter gaan anticiperen op uitdagingen in de modewereld en de noodzaak tot nieuwe visies.

Een aanklacht die je hoort tegen modeacademies is dat het studentenbestand weinig divers is en er dus op die manier nooit een echt inclusieve industrie kan ontstaan. Is dit een speerpunt voor AMFI voor de toekomst?
Dat is een goed punt, en iets wat helaas geldt voor veel mode-opleidingen. Bij AMFI zien we wel dat door toename van het aantal internationale studenten een steeds diverser beeld van ‘de modestudent’ ontstaat. Maar we zijn er nog lang niet. Het 'eenzijdige' gezicht van mode-opleidingen moet inderdaad een punt van aandacht zijn en we werken er hard aan ook) daar verandering in te brengen. Die inclusieve industrie is naast duurzaamheid een duidelijk doel en ik denk dat we ook daarin nu wel echt verandering tegemoet gaan. De opkomst van designers en brands vanuit diverse achtergronden houdt een belofte in voor een meer diverse toekomst. Het is dus absoluut een speerpunt!

De mode-industrie staat inmiddels bekend als de op-een-na vervuilendste industrie ter wereld. Hoe tackelt AMFI dit probleem?
AMFI heeft vanaf jaar één tot en met het eindexamen duurzaamheid zeer hoog op de agenda staan en verweven door de leerlijn. Ieder semester, iedere opdracht en iedere minor is op een manier verbonden met duurzaamheid. Of je nu werkt vanuit de ambacht van het maken van kleding, waarbij ‘design for life’ en ‘emotional sustainability’ centraal staan, of werkt vanuit technologie en bijvoorbeeld VR-design, waarbij besparingen in tijd, ruimte, transport, sampling, van belang zijn. Alles draait om duurzame oplossingen.

En tot slot, wat hebben afgestudeerde modestudenten uit Nederland specifiek de internationale industrie te bieden?
Ik denk dat Nederlandse mode-makers naast kennis, en creativiteit, als extra hebben dat ze uit een land komen waar mode nog steeds niet hoog op de culturele agenda's staat, en in de beleving van de gemiddelde consument een decoratief en bijna altijd 'te duur' item is, dat eigenlijk goedkoop en functioneel moet zijn. Nederlanders zijn mode gaan verwarren met fast fashion. Daardoor is het voor designers en makers uit Nederland hard werken en worstelen om serieus genomen te worden. Dat maakt ze krachtiger en meer flexibel. Daarnaast leiden we in Nederland op met een duidelijke blik op de wereld om ons heen. We richten ons nauwelijks op de lokale markt, maar kijken naar globale mode en visies op een bijdrage aan de wereld in plaats van de regio. Dat maakt dat Nederlandse ontwerpers wereldwijd aan de slag kunnen.

De komende weken spreekt i-D in het kader van deze vooruitblik de oprichters van de The Model’s Health Pledge, een mode-activist, een boeker van een prestigieus modellenagentschap en een radicaal modeduo. Lees er hier meer over.