waarom onze eigen modeontwerpers de noodklok luiden

i-D interviewde vier modeontwerpers uit Nederland en België die een succesvolle internationale carrière hadden, maar besloten het roer radicaal om te gooien. Allen verzetten ze zich tegen een systeem waarin sneller en meer de norm is. Allen stelden een...

door Aynouk Tan
|
21 september 2015, 2:55pm

Alexander van Slobbe (56) zette de Nederlandse mode internationaal op de kaart. Begin jaren negentig verwierf hij faam met een stijl die als Dutch Modernismde geschiedenisboeken in zou ingaan. Hij werd geprezen om zijn mode die ontdaan was van elke versiering waardoor de nadruk op de constructie van het kledingstuk lag.

Nog geen acht jaar na zijn eerste show in Parijs, stapte hij uit de internationale modemolen. Want, "iets wat succesvol is wordt eindeloos herhaald. Ik was er zo moe van." Onlangs initieerde hij samen met collega ontwerper Francisco van Benthum het modelabel Hacked. Een reactie op het kopieergedrag van de fast-fashionketens. "Zara steelt van Prada, wij stelen van Zara en wij gooien er weer een laag overheen. Zo maken we de cirkel rond."

Je startte je eerste modelabel Orson + Bodil in 1989. Hoe zou je het modeklimaat van toen omschrijven?
De jaren tachtig waren één van de meest bijzondere periodes in de mode. Na de brede schouder kwamen er een aantal avantgardistische ontwerpers in zwang die een abstract vrouwbeeld presenteerden. Japanners als Yohji Yamamoto en Comme des Garçons baseerden hun ontwerpen op kimono's met rafels en gaten die sluik langs het lichaam vielen. De Belgen gaven daar gevolg aan met hun deconstructivistische mode. Denk aan een oversized colbert waar de mouwen uit gerukt waren. Tegelijkertijd viel de couture met traditioneel silhouet dood, dat ging enkel nog maar over parfum en tassen. Totdat John Galliano de 'poverty look' introduceerde: ook een abstract silhouet dat deed denken aan de Japanners, maar dan uitgevoerd in geverfd vilt en ingenieuze vormen. De couture was herboren.

Wat maakte jouw signatuur zo bijzonder?
Ik wilde couture maken voor alledag. Het ging niet over avondjurken, het ging gewoonweg over een heel mooi jasje waarvan de voering en de constructie net zo belangrijk waren als de rest. Ik beperkte me in alles tot het minimale: als er bij mij geen zak nodig is, dan hup, weg zak. Ik voerde een heel silhouet voor vrouwen - de tas, jas, jurk, de schoenen - uit in hetzelfde materiaal en in dezelfde kleur zodat de nadruk kwam te liggen op de manier hoe het kledingstuk gemaakt was. Bijna alle stoffen werden dubbel gebruikt: de buitenkant was niet anders dan de binnenkant. Het alledaagse werd in mijn ontwerpen uitgelicht; een papieren en een plastic tas vertaalden we in leer. Ik wil niet alle eer opstrijken maar laten we wel wezen: ik was de eerste die het zo deed. Dat viel op.

In 1993, nog geen acht jaar na je eerste show in Parijs, besloot je te stoppen met je label Orson + Bodil. Even later heb je je mannenlabel SO verkocht. Waarom?
Ik was creatief, ik had een visie en dus kregen we investeerders. Die mensen wilden heel snel heel veel geld verdienen. Dat betekent in de praktijk dat succes eindeloos herhaald wordt. Onze T-shirts bijvoorbeeld waren enorm in trek bij 18-jarige jongens, en dus was ik per seizoen tweehonderd verschillende prints aan het produceren. Als ik toentertijd had gezegd: "Dit doen we niet meer, we gaan iets anders doen…" - dat kan niet, want de wereld wil van jou dat T-shirt. Als ontwerper zal je daar antwoord op geven. Punt uit. Ik begrijp dat bedrijven daar prima mee uit te voeten kunnen, maar als ontwerper is het super geestdodend. Bovendien: er staan zulke grote bedragen op het spel, daar word je misselijk van. Je kan qua omzet niet eens stil blijven staan, je moet omhoog. Dat is enorm belastend. Ik was er zo moe van.

Op welke manier is je werkwijze daarna veranderd?
Ik kon mezelf opnieuw uitvinden als ontwerper. Vooral in de samenwerkingen die ik ondernam kon ik mijn ei kwijt. Met keramiekfabrikant Koninklijke Tichelaar Makkum ontwierp ik kettingen van porseleinen parels. Met viltontwerper Claudy Jongstra ontwikkelde ik nieuwe stoffen. Ik ben drie jaar hoofd van de mode-afdeling van de kunstacademie in Arnhem geweest. En heel belangrijk: mijn bedrijf bestaat uit veel minder mensen. Dat is een bewuste keuze.

Wat zijn de belangrijkste veranderingen die de mode de afgelopen 25 jaar heeft ondergaan?
De mode is veel diverser geworden. Vroeger waren jeans een bijproduct van een modehuis. Nu hebben ze hele jeanscollecties. Andersom hebben ook schoenen- en tassenontwerpers eigen collecties; vroeger waren ze vooral in dienst van de industrie. Iedere willekeurige creatieveling kan T-shirts gaan ontwerpen en die op de hoek van de straat verkopen. Dat valt nu ook onder de noemer mode, vroeger was dat niet het geval. En kijk naar zo'n merk als G-Star: die hebben veel collecties, maar die hebben wel een bepaalde ontwerpkwaliteit.

Die tendens zorgt ook voor veel meer kleren. Is dat een positieve ontwikkeling?
Ons land is heel goed in het opleiden van ontwerpers - voor welk niveau dan ook. Je zou kunnen zeggen: onze ontwerpers zijn één van onze beste exportproducten. Ze werken in Parijs of Milaan want wij hebben geen grote mode-industrie. Meer kleren zorgt voor meer werk, dat is goed voor onze ontwerpers.

Aan de ene kant zeg je: het snelle tempo en de kwantiteit van de mode hebben mij genekt. Aan de andere kant zeg je: meer mode is goed. Is dat niet wat paradoxaal?
Ik maak een verschil tussen kopiëren en niet-kopiëren. G-Star is in staat een origineel ontwerp toe te passen. Daarmee investeren ze in de ontwikkeling van hun ontwerpers. Bij een bedrijf als Zara is dat niet het geval. Je zal er maar werken, dan krijg je een rekje met Prada-kleren voor je neus en zegt je leidinggevende: kopieer dit maar. Ik zou het veel aardiger vinden als zo'n Zara zou zeggen: Prada, wat een fantastische collectie! We jatten het, maar jullie krijgen de credits. We geven Prada voor elk gejat ontwerp een euro. Nu verdient Prada zelf natuurlijk miljarden, maar een Dries van Noten bijvoorbeeld verdient dat echt niet. Bedrijven als Zara maken er winst op en hij krijgt geen cent. Dat zijn toch wel kutstreken.

Onlangs heb je samen met collega ontwerper Francisco van Benthum het modelabel 'Hacked' geïnitieerd. Vanuit welke gedachte is dit label opgericht?
De fast-fashionketens stelen onze ontwerpen. In het Hacked-project stelen wij hun overproductie. We hebben een manier gevonden om de restpartijen van de H&M's, Mango's en Zara's te bemachtigen. Daar leggen wij ons handschrift overheen; we voegen details toe of geven een kledingstuk een ietwat andere vorm. Zo hacken we - letterlijk - hun systeem. We bevragen daarmee hun macht. Omdat zij veel grotere aantallen bestellen, zijn hun verkoopprijzen even duur als mijn inkoopprijzen. Tegelijkertijd gaat de helft door de vernietigingsmolen. Onze vraag was: waarom gebruiken we zo'n firma niet als producent? Ook willen we de cirkel weer een beetje rond maken. Zara steelt van Prada, wij stelen van Zara en gooien er weer een laag overheen. Zo schudden we de boel een beetje op. Het wordt weer eens tijd.

Van 13 september 2015 t/m 8 mei 2016 is 'Hacked' als tentoonstelling te zien in het Tijdelijke Modemuseum in Het Nieuwe Instituut in RotterdamKleren die uit 'Hacked' voortkomen zijn te koop bij Orson + Bodil, de winkel van Alexander van Slobbe.

Lees hier ook de andere delen:

Deel 2: Saskia van Drimmelen

Deel 3: Bruno Pieters

Credits


Tekst Aynouk Tan
Beeld via Alexander van Slobbe

Tagged:
couture
So
alexander van slobbe
modeontwerper
orson bodil