hoe het is om op te groeien in een boerengat

Waar het op vrijdagavond om 8 uur zo goed als uitgestorven is.

door Flora de Vries
|
20 oktober 2016, 3:20pm

Om vijf uur 's middags gingen de winkels al dicht, want de borden 'aardappel-groenten-vlees' stonden immers toch al op tafel. Het waren de gloriedagen van de coupe soleil en de french manicure, en de moezel werd massaal ingeslagen voor de tentfeesten in het weekend. De 'latte-machiatta', zoals die daar nu veelal wordt uitgesproken, bestond nog niet en 'de Dam' kende men enkel van tv. Het kwam vaak voor dat je door een buitenstaander werd gevraagd waar het centrum was, terwijl ze zich daar middenin bevonden. De plek waar de dorpsgek iedere dag op dezelfde hoek te vinden was - zo niet, dan moest je je zorgen maken - en de twee kledingwinkels die het telde het hele dorp van outfit moesten voorzien. Niet echt bevorderlijk voor de authenticiteit.

Vrijwel al mijn vrienden woonden in de provinciehoofdstad, wat ervoor zorgde dat ik vaak in mijn eentje van de stad terug naar het dorp moest fietsen. Terug naar een boerengat dat op vrijdagavond al vanaf acht uur was getransformeerd in een spookstad. René Schuurmans, de plaatselijke volkszanger, had geen betere plek om te wonen, maar voor mij was de plek waar ik opgroeide alles dat ik niet was.

Met de creatievelingen of de subculturen - er waren heus wel kakkers, gabbers en punkers - vond ik niet echt aansluiting. Wellicht werd ik door anderen, met mijn spicegirl-plateauzolen, gezien als een alto, of dachten mensen dat ik met mijn zwarte outfit rechtstreeks van het kerkhof kwam gelopen. De hipster bestond daar nog niet en een andere kledingstijl dan 'de maatstaf' werd niet per se geassocieerd met creativiteit, maar eerder met gekte. "Waar is je zwarte haar gebleven?" vroeg de buschauffeur laatst nog toen ik mijn ouders bezocht, met het lef zijn oordeel hardop door de bus te slingeren. Want dat is wat ik vooral niet begrijp, waarom mensen zonder na te denken anderen lastig moeten vallen met hun bekrompenheid. 'Jij begrijpt het niet helemaal', heb ik toen maar lieflijk geantwoord.

Dat de ruimdenkendheid - die de stedelingen wel hadden - bij ons in het dorp ver te zoeken was, kwam tot uiting in allerlei tweedelingen. Woonde je aan 'mijn kant' van het dorp, dan hoefde je imago niet in twijfel getrokken te worden. Je woonde dan hoogstwaarschijnlijk in een nieuwbouwwoning (check), ging naar een nette school (check) en zat je op tennis of hockey (check). Woonde je 'aan de andere kant', was je tuig, had je een waakhond en was je alle dagen te vinden bij de kermis waar je hele gezin al een jaar lang zijn spaarvarken voor had gevuld. De kakkers tegen het tuig, de villa's tegen de kermis. En ik, ik zat daar naarmate ik ouder werd lekker tussenin te banjeren. Je begrijpt, dat toen de eerste Somalische familie het dorp betrad, zij het gesprek van de week waren.

De ruimdenkendheid opzoeken, in mijn geval in 's Hertogenbosch, was geen vanzelfsprekendheid. De route naar de stad was afgelegen en dus niet geschikt om als jong meisje overheen te fietsen als het donker was. Daarom werd ik regelmatig verwend door mijn ouders met gratis ritjes, wat eigenlijk ook niet anders kon, aangezien het busstation 19 minuten lopen was vanaf ons huis en de bus niet meer na tien uur 's avonds reed. Als hij wel reed, bracht hij je eerst nog 'even' langs alle nabijgelegen dorpen die op hun beurt nog meer afgelegen waren dan de mijne. Vierde je je verjaardag, kon je verwachten dat al je vriendjes en vriendinnetjes uiterlijk om elf uur 's avonds weer werden opgehaald door hun ouders. Afhankelijk van ouders en het openbaar vervoer, niet het allerleukste voor een tiener die nog de hele wereld wil ontdekken.

Waarom wilden mijn ouders niet naar de stad verhuizen, al was het maar omdat dat de dingen makkelijker maakte? Er was natuur, zeiden ze, en de stad was toch 'dichtbij'? Bovendien konden we zonder omkijken op straat spelen. Het veilige gevoel. Ik snapte mijn ouders wel, maar de spanning die ik als tiener zocht door in de nacht over de hekken van het plaatselijke zwembad te klimmen - waarvoor je toch nooit werd gepakt met 0,5 politieauto op het hele dorp - verdween, en ik verhuisde naar Amsterdam. De landweg, die mijn vriendinnen vervloekten om al het landbouwverkeer, werd ingeruild voor het Leidseplein. Een overstekende koe voor een rinkelende tram. Het was even wennen, maar ik was blij.

Ik ben me ervan bewust geworden dat de beperkingen van vroeger geen beperkingen meer zijn, maar mooie herinneringen. Iedere keer dat ik een stokroos - die in mijn herinnering als onkruid bloeiden - tegen een grachtenpand aan zie staan, begin ik te gillen van blijdschap. Als ik naar de andere kant van Amsterdam moet fietsen voor een feestje, zie ik dat als 'lekker even uitwaaien'. De ervaringen als opgroeiend kind in een dorp vormen een groot contrast met mijn leven nu, en geven mijn jeugd meer emotie. De herinnering die ik heb aan de keer dat ik door jongens uit de stad met de auto werd opgehaald om in de diepste uithoek van het bos een kampvuur te stichten en wodka te drinken, omdat ze ontdekt hadden dat de chip in hun schoolpas ook werkte op de paaltjes die de weg naar het bos voor auto's zouden moeten blokkeren, voelt nu extra rebels. Geen idee trouwens, hoe ze dat hadden ontdekt.

Ik voel me in tegenstelling tot de dorpeling van mijn leeftijd die er nog steeds woont een wereldreiziger, terwijl zij op dit moment - zonder twijfel heel gelukkig - met zwangere buik, vriend en schoothondje verscholen zit achter 'home is where the heart is'-decoratie in een riante twee-onder-een-kapwoning. Andersom zullen zij gniffelend aan mij denken, met mijn uit elkaar donderende studio in de Jordaan. We zouden beiden niet willen ruilen. En dat is fijn.

Credits


Tekst Flora de Vries
Beelden via Youtube stills uit Twin Peaks

Tagged:
coming of age
jeugd
Noord-Brabant
opgroeien