ik ging naar ghana om te zien wat er gebeurt met kleding die je doneert

Als je denkt dat al je gedoneerde kleding gratis wordt uitgedeeld aan mensen in nood, dan heb je het mis. In Ghana is je gedoneerde kleding geld waard.

|
aug. 14 2018, 12:51pm

Als stijlantropoloog onderzoekt Carmen Hogg stijl in relatie tot identiteit en (sub)cultuur. Ze gelooft dat stijl een middel is om vooroordelen te ontkrachten. Stijl is communicatie: een manier van spreken zonder woorden te gebruiken. Het laat volgens haar zien waar we in geloven, met wie of wat we ons verbonden voelen. Centraal in haar onderzoek staan onderwerpen als racisme, (voor)oordelen en agency. Eerder dit jaar reisde ze af naar Ghana om de sociale impact van kledingdonatie te onderzoeken. Dit waren haar bevindingen.

Five cedi, five cedi,” schreeuwt de marktkoopvrouw die achter een grote stapel met tweedehands witte herenblouses staat. Ze verkoopt ze in allerlei maten, en geen een is er hetzelfde. “It is good business, do you know how we call it?” vraagt ze lachend als ik door de stapel blouses ga.

In de lokale Ghanese taal Twi staat de tweedehands kleding bekend als ‘obroni wawu’: dead white man’s clothing. Kleding van overleden witte mensen. Dat was het vroeger immers ook; het werd toen pas gedoneerd als iemand overleed. We gooiden niet zo snel kleding weg; kapotte kleding werd gerepareerd en we droegen het tot het niet meer te maken viel. De kleding die Accra bereikte was daarom kleding van overledenen. Anno 2018 doneren we echter álles; we consumeren in rap tempo kleding en gooien het weg als we erop uit zijn gekeken, als het uit de mode is of als we het niet meer passen. Kleding is veranderd in een consumptiegoed, eindeloos voortgestuwd door de grote modeketens en webshops die collectie na collectie uitbrengen.

Tien jaar geleden ging ik voor het eerst naar Ghana, waar ik voor het eerst mensen in onze afdankertjes zag lopen. Jongetjes in afgedragen shirts met Duitse en Nederlandse kreten als ‘vanavond heb ik hoofdpijn’ wekten niet alleen een lach, maar ook diverse vragen op. De kleding zag eruit als afgedankte westerse kleding; als de kleding die wij in de donatiebakken gooien. Ghana kent echter een stabiele geschiedenis waar recentelijk geen humanitaire hulp nodig is geweest. Hoe komt die jongen dan aan zijn shirt?

Al snel kwam ik erachter dat de kleding een groot handelsgoed is waar veel mensen geld mee verdienen. Handelaren kopen de kleding op en verkopen het onder andere aan handelaren in Ghana, die het weer doorverkopen aan (markt)koopmannen en -vrouwen. In Ghana belandt de meeste kleding op Kantamanto; de grootste tweedehands kledingmarkt van West-Afrika. Daar koop je kleding uit Amerika, Canada, Duitsland, Engeland en Nederland.

Kantamanto ligt in de oude binnenstad van Accra, de hoofdstad van Ghana. Als je wilt winkelen in Accra beland je er vanzelf; Accra kent geen winkelstraten waar ze ready-wear items en fast-fashion verkopen. De twee overdekte winkelcentra die er zijn, zijn ontzettend duur en daardoor niet toegankelijk voor de meeste Ghanezen. Kleermakers maken met name items voor speciale gelegenheden. Voor alledaagse kleding zijn mensen in Ghana afhankelijk van obroni wawu. Lokale fotograaf Francis Kokoroko is blij met obroni wawu en koopt het zelf ook graag: “De kleermakers hebben het druk, dus kleding laten maken duurt altijd lang. Obroni wawu is snel en stylish.” Samuel Oteng, een andere befaamd thrifter en modeontwerper, is ook groot fan: “Vorige week nog heb ik een Alexander McQueen-sjaal gevonden voor maar vijf cedi.” Samuel vertelt dat de meeste marktkoopmensen de merken niet (her)kennen. Zelf gaat hij altijd op zaterdagochtend wanneer de nieuwe lading komt; dan heb je de grootste kans om iets unieks tegen te komen voor weinig. De zaterdagochtend op Kantamanto kan je vergelijken met de dagen dat bij ons de nieuwe collecties in de winkel komen; dat is hét moment waarop je je favoriete item kan vinden. Waar wij online al onderzoek hebben gedaan is het in Ghana een raadsel: je weet nooit wat je aantreft, dat maakt het voor velen juist zo interessant.

“Obroni wawu is onze fast-fashion”, vertelt Francis Amanakpor, oud schoolhoofd van de opleiding Fashion Design aan Accra Technical University, die ook in Utrecht heeft gewoond. Hij vergelijkt Kantamanto met onze winkelstraten: er is veel aanbod, het is betaalbaar en je kan het gelijk meenemen. Hij heeft in de afgelopen jaren de import zien stijgen in kwantiteit en dalen in kwaliteit, omdat de kwaliteit van onze kleding ook slechter wordt. “Het is zeker een probleem, net als fast-fashion in Europa”, vindt Yvonne Ntiamoah, hoofd van de opleiding Fashion Design aan Radford University in Accra. Slechts een paar van haar studenten vinden na het afstuderen een passende baan, of redt het om een eigen label op te zetten. Ze vertelt dat dat onder andere komt door de bulk aan import van ready-wear-items uit het Westen. De creatieve industrie lijdt eronder, er zijn weinig banen voor creatievelingen. “Ik zou zo graag zien dat Ghana een creatieve industrie had met allerlei soorten banen voor studenten uit verschillende disciplines.” Haar oud-studenten zitten nu thuis of hebben een baan in een andere branche. Daarom heeft Yvonne een bestuur opgericht dat zich hard maakt voor de ontwikkeling van de creatieve industrie. Ze ondersteunt tevens haar oud-studenten in het vinden, of creëren, van passend creatief werk.

‘Geef goed door’ staat er op kleding inzamelbakken in Amsterdam, maar is dat echt zo? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er een onbelichte werkelijkheid is: dat onze gedoneerde kleding de lokale creatieve- en mode-industrie in Ghana belemmert in haar ontwikkeling, omdat er tegen de lage prijs en de hoeveelheid simpelweg niet op te boksen valt.

Credits


Fotografie Francis Kokoroko