groupies, vriendinnen en leeghoofden: het typecasten van modellen in films

Filmmakers hebben de neiging gehad om modellen in hun films te af te schilderen als wandelende paspoppen zonder inhoud.

|
feb. 12 2018, 4:24pm

De laatste film van Nicolas Winding Refn, The Neon Demon, is een psychologische thriller die zich afspeelt in de moordende modellenindustrie. In grote lijnen gaat het over onze op schoonheid gefixeerde cultuur, de bittere jaloezie tussen modellen en de exploitatie van de dromerige naïevelingen die de catwalk opstappen. Het gaat ook over vampiers die het bloed van de mooie vrouwen drinken om hun eigen jeugdigheid te behouden. Maar de portrettering van de mode-industrie als plek waar de moraal ver te zoeken is, waar de lelijkheid direct onder de schoonheid ligt, is niet nieuw in de bioscoop.

Het feit is dat modellen het nooit echt makkelijk hebben gehad in films. Filmmakers hebben er veel lol in gehad om ze af te schilderen als leeghoofden, groupies, vriendinnen of wandelende paspoppen die alleen bestaan als opvulling. Ik zeg daarmee niet dat er geen narcisten bestaan in de mode-industrie; ik wil alleen maar zeggen dat we modellen zelden in een andere rol zien. Sommigen skateboarden, sommigen acteren, sommigen breakdancen. Waar zijn zij op het witte doek? Waarom zijn de filmmakers bang voor nuance?

Al in de jaren vijftig bestond het beeld van het leeghoofdige model. In de romantische komedie Funny Face met Audrey Hepburn heeft een fotograaf moeite met het vinden van een model dat zowel intelligentie als schoonheid uitstraalt. “Een vrouw kan zowel mooi zijn als intelligent,” schreeuwt een redacteur van een tijdschrift, losjes gebaseerd op Diana Vreeland. Om dat te bewijzen verschijnt Hepburn als medewerker van een boekenwinkel, met nul ambitie om model te worden. Totdat de fotograaf (Fred Astaire) binnenkomt en haar een gratis reis naar Parijs aanbiedt. Natuurlijk verandert haar snobistische houding ten opzichte van de industrie en sluit ze zich uiteindelijk aan bij de leeghoofden.

Tien jaar later was er vrijwel niets veranderd – en was het misschien zelfs erger. De modellen in Blow Up, het cultportret uit 1966 van Antonioni over het swingende Londen, zijn de speeltjes van een fotograaf, die wordt gespeeld door David Hemming en losjes is gebaseerd op David Bailey, de legendarische man achter de camera. In de film staan er twee op roem beluste modellen onaangekondigd voor de deur van de fotograaf. Ze knielen en smeken om gefotografeerd te worden. Uiteindelijk laat hij ze binnen, kleedt hij ze uit en hebben ze een trio op de vloer van zijn studio. Als hij klaar met ze is, schopt hij ze naar buiten met een veelzeggende blik die zegt: “Oké meiden, ik heb nu echt werk te doen.” Blow Up laat de fotograaf zien als een rockster, en de modellen als zijn groupies.

Je zou denken dat Prêt-à-Porter van Robert Altman – een satire die op locatie geschoten is tijdens Paris Fashion Week, met cameo’s van Carla Bruni, Naomi Campbell en Claudia Schiffer – iets anders te zeggen zou hebben over de modellenwereld. Misschien wat verhelderende scènes over eetstoornissen of de drugs die sommige modellen nemen om op gewicht te blijven. Maar nee, de enige dialoog van de modellen is bitcherig geroddel over wie met wie naar bed gaat. En natuurlijk zien we ze elkaar ellebogen als ze van de catwalk afgaan. Het radicaalste van de film is de stoet naaktmodellen op de catwalk, een spoor achterlatend van open monden. De meeste mensen uit het publiek zijn onder de indruk van The Next Big Thing in de modewereld; een ander is diep verontwaardigd door de krankzinnigheid ervan. Uiteindelijk voelt de satire van Altman een beetje lomp nu, als een poging van een buitenstaander om een inside joke te maken.

De duistere kant van modellenwerk die werd weggelaten in Prêt-à-Porter kwam wel naar buiten in Gia uit 1998. Maar ook die had zijn clichés. In de film speelt Angelina Jolie een van de eerste Amerikaanse supermodellen, Gia Marie Caranji. Ze is een punker uit Philadelphia die de aandacht trekt van een agentschap in New York. Die nemen haar aan ondanks haar slechte houding: “Praten is niet relevant voor deze baan. Wat er uit je mond komt is niet belangrijk.” Al snel duikt ze het bed in met andere modellen, snuift ze coke en valt haar leven uit elkaar. Het is het bekende verhaal: de excessieve industrie slokt haar op. En hoewel de film haar neerzet als een uitzondering – een model met hersens – zien we dezelfde dingen als in andere films over de industrie en wordt het personage omringd door leeghoofden die de hele dag zeuren over billenmaten.

Het feit is dat de overkoepelende boodschap van Gia net zo afgezaagd is als de diepzinnige ingeving van Derek Zoolander: “Er is meer in het leven dan heel, heel erg belachelijk knap zijn.” Dat zit niet heel ver af van wat Terrence Malick bedoelde met “beroemd zijn is niet zo leuk als beweerd wordt” in Knight of Cups. In die film – een glanzend beeld van de smerige onderbuik van de hoogvliegende elite in LA – worden modellen weer neergezet als speeltjes van de filmmaker en speeltjes van de playboy-hoofdrolspeler Christian Bale.

In een van de meest flagrante scènes danst Bale in het rond met twee schaarsgeklede modellen. Ze dompelen hem onder in champagne en worstelen met hem op bed, net zoals in de eerder genoemde scène uit Blow-Up. Ze hebben niets te zeggen, niets te willen, behalve zichzelf draperen over het lichaam van Bale. Ook hier zijn de modellen in eerste instantie passief, gebruikt als voorbeeld voor de existentiële crisis die het personage van Bale doormaakt. Hetzelfde gebeurt in een latere scène, als hij tijdens een opzichtig huisfeest lonkt naar een model (Freida Pinto). “Hoe heet je?” zijn de enige woorden die ze wisselen. De camera van Malick slokt haar op en we worden eraan herinnerd dat dit de filmmaker is die model Olga Kurylenko 113 minuten met haar armen in de lucht laat zwaaien in To The Wonder. Hij houdt van modellen.

Knight of Cups laat zien dat ook arthouse-auteurs niet hun best doen om het stereotype van modellen op het filmscherm te doorbreken. Zij casten hen ook als leeghoofden, groupies, vriendinnen of simpelweg als iemand om het scherm op te vullen. In deze uitingen zit geen nuance. In Hollywood worden modellen alleen gezien in twee dimensies. Begrijp me niet verkeerd, satire is te gek – het is belangrijk om te lachen om de absurditeit in deze industrie, net zoals in elke andere industrie – maar het is ook belangrijk om soms te laten zien dat modellen niet gezien hoeven worden als nutteloze, door zichzelf geobsedeerde wandelende standbeelden, die alleen maar goed zijn in het op en neer slenteren op een verhoging. Nu steeds meer modellen overstappen naar de wereld van de film – Abbey Lee, Cara Delevingne, Lily Cole – onstaat er over een aantal jaar misschien een volledig beeld van die wereld.